maandag 29 december 2014

Guitig opgestelde hypothesen

Johann Wolfgang von Goethe                                                              Spreuk 59
                                                                          Hoofdstuk 1: Het onderscheiden



Vergeeflijke hypothesen noem ik zulke, die men in zekere zin guitig opstelt, om ze te laten weerleggen door de ernstige natuur.


Läßliche Hypothese nenn' ich eine solche, die man gleichsam schalkhaft aufstellt, um sich von der ernsthaften Natur widerlegen zu lassen.



Rudolf Steiner                                                                                  Commentaar
                                                                                    bij spreuk 57 tot en met 59



Hypothesen zijn voorbereidingen voor theorieën. Hypothetisch wordt een wetmatige samenhang tussen de verschijnselen aangenomen, om een leidraad te hebben voor het zoeken naar verwante verschijnselen. Wanneer de laatstgenoemden dan werkelijk opgesteld zijn, dan zal zich meestal iets heel anders te zien geven als de eerst aangenomene. Dan treedt uit de hypothese een theorie naar voren.


Hypothesen sind Vorbereitungen für Theorien. Es wird ein gesetzmäßiger Zusammenhang der Erscheinungen hypothetisch angenommen, um einen Leitfaden zu haben zum Aufsuchen verwandter Erscheinungen. Wenn die letzteren dann wirklich zusammengestellt sind, so wird sich zumeist etwas ganz anderes ergeben als das erst Angenommene. Dann wird aus der Hypothese eine Theorie.


Audiovisuele weergave spreuk 59




Muziek
Meine Ruh' ist hin (Gretchen am Spinnrade) - Carl Loewe

5 opmerkingen:

  1. Noten

    ① Wat Goethe hier beschrijft doet denken aan een lichtvoetige werkhypothese. Welke in de verte als zodanig doet denken aan de falsifieerbaarheid van Karl Popper, welke in de 20e eeuw diep wortel schoot. Het falsicationisme heeft evenwel betrekking op theorieën, niet op hypothesen, en Goethe zou denk ik zeker niet te spreken zijn geweest over Poppers driewereldentheorie, welke voor een belangrijk deel geënt is op het kantianisme. Goethe ging, Steiner ook (gedachtenmonisme), voor een monistisch wereldbeeld.

    ② In de bovenstaande spreuk, spreuk 59, heb ik het Duitse woord Läßliche vertaald met de Nederlandse term ‘vergeeflijke’. Dit deed ik niet uit volle overtuiging, maar omdat de alternatieven me toch minder treffend leken en ik Goethe er goed voor aan zie om zulke krasse plastische beeldspraken bij tijd en wijle welbewust te gebruiken, hoe vreemd of ongebruikelijk dat ook zou kunnen aandoen. Hij wees gebruikmaking van hypothesen niet af, maar had wel scherp oog voor ‘mitsen en maren’ daarbij. Dat komt dan tot uitdrukking in spreuken 57, 58 en 59.

    ③ In de tijd van Goethe stond waardering van filosofie al danig onder druk, wetenschappelijke paradigma’s en wetenschappelijke gebruiken waren flink in opmars en filosofische kennistheorieën schuurden steeds meer tegen wetenschappelijke uitgangspunten en kennismethodieken aan. Dat resulteerde onder meer tot herijking van geldigheid van hypothesen en theorieën. Goethe en zeker ook Steiner kregen daar in hun tijd veel van mee en moesten zich daarmee grondig verstaan. In Steiners geschrift Einheitliche Naturanschauung und Erkenntnisgrenzen (1893) (GA 30; bladzijde 47 tot en met 68) wordt dit thema met deze problematiek helder en indringend behandeld.

    ④ Tot maandspreuk van januari 2015, welke ik 1 januari 2015 in de rechterkolom zal plaatsen, verkies ik spreuk 165 die een nader licht werpt op Goethe’s zienswijze ten aanzien van theorieën met een kort commentaar daarop van Rudolf Steiner.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Het muzikale werk van Carl Loewe (1796 - 1869) kan ik wel waarderen. Op pakweg 24-jarige leeftijd had hij een ontmoeting met Goethe.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. 'Vergeeflijke' ? hypothesen noem ik zulke, die men in zekere zin guitig opstelt, om ze te laten weerleggen door de 'ernstige' ? natuur.

    Flexibele hypothesen noem ik, diegene welke men als het ware arglistig opstelt, om deze door een serieuze natuur te laten weerleggen.

    Läßliche Hypothese nenn' ich eine solche, die man gleichsam schalkhaft aufstellt, um sich von der ernsthaften Natur widerlegen zu lassen.

    Een variant van het citaat.

    An Heinrich Carl Abraham Eichstädt
    Zurückkommender Brief, der in jeder Zeile absurd ist, bliebe füglich unbeantwortet; wollten aber doch Ew. Wohlgeboren aus irgend einer Rücksicht etwas zu vernehmen geben, so wäre darauf zu sagen, »daß man zu Jena von einem Bacchus in geschlagenem Eisen nichts wisse noch wissen könne, weil man sich hier nur mit Literatur abgäbe, keineswegs aber eine Sammlung von Alterthümern und Curiositäten solcher Art hier zu finden sey.« Ich wüßte auch nicht die geringste Hypothese dieses Räthsel zu lösen.
    Jena den 20. Juny 1817.
    Goethes Werke. Herausgegeben im Auftrag der Großherzogin Sophie von Sachsen. IV. Abteilung: Goethes Briefe, Bd. 1–50, Weimar 1887–1912. Band 28/7779.

    Bei dem Streite mit Newton, da er ihn noch selbst führte, findet man, daß die Gegner seine Erklärung als Hypothese behandelten; er aber glaubte, daß man sie als eine Theorie ja wohl gar ein Factum nennen könnte. Farbenlehre Historisch Teil II

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Also worauf es Goethe ankam, das ist, nichts hinzuzudenken an Hypothesen und Theorien zu den Erscheinungen, sondern ganz streng die Erscheinungen für sich selber sprechen zu lassen…

    GA 273/174 usw. Vorträge über Kunst - Dornach, 29-09-1918
    Rudolf Steiner complimenteerd Goethe:
    Und weder eine Theorie noch die kostbarste Hypothese verhindern, daß es in ihm zwickt und zwackt, als nur das Weiß erscheint, und er denken muß, die Wand ist trotzdem weiß, obwohl stufig die sieben Farben erscheinen sollten.
    Es ist nicht geschehen.
    Und es ist ein Beweis für die durch und durch gesunde, das heißt, als Mikrokosmos dem Makrokosmos eingepaßte Natur Goethes, daß er in dieser Weise empfand.

    Er - Goethe - guckte da durch das Prisma - die Wand blieb weiß.
    Das bewirkte, daß er noch einmal den Hofrat Büttner ersuchte, die Instrumente, die Apparate behalten zu dürfen. Die had hij geleend van Professor Büttner uit Jena en lagen inmiddels te verstoffen in zijn werkkamer.
    Und da hat er denn doch seine weiteren Untersuchungen angestellt.
    Und aus diesen Untersuchungen heraus ist ihm erwachsen: erstens seine Farbenlehre und zweitens seine Anschauung über die physikalischen, das heißt die unlebendigen Erscheinungen der Natur überhaupt, eine solche Anschauung, die alle Hypothesen und alle Theorien ablehnt, die gar nichts ausdenkt über die Naturerscheinungen, sondern diese zurückführt wiederum auf Erscheinungen, nur auf Urerscheinungen, auf Urphänomene.

    Und so wurde er sich klar darüber: Wenn man irgendeine Farbe schaut, so liegt auf irgendeine Art zugrunde ein Zusammenwirken von Licht und Finsternis, die übereinandergeschoben werden.
    Wird das Licht über die Finsternis geschoben, erscheinen die dunklen Farben: blau, violett und so weiter. Wird über das Helle, über das Licht, die Finsternis geschoben in irgendeiner Weise, also verfinsterte Materie und dergleichen oder das Prisma selber, so erscheinen die hellen Farben: rot, gelb und so weiter.
    Da ist gar keine Theorie dabei. Dunkles und Helles wirkt in der unmittelbaren Wahrnehmung.
    Nur sind es einfach Wahrnehmungen.
    Wenn Dunkles und Helles zusammenwirkt, entstehen Farben.

    Darin ist nichts ausgesprochen von einer Hypothese, von einer Theorie, sondern es ist nur ein Einfaches, Wahrnehmbares ausgesprochen.
    Und nun handelt es sich für ihn nicht darum, Hypothesen zu erfinden, wie etwa die Undulations-hypothese oder die Emissionshypothese und dergleichen, um zu sagen, so und so entstehen Farben, sondern lediglich um die Frage, wie Licht und Finsternis zusammengestellt werden müssen, damit Gelb oder Rot oder Blau oder Violett erscheine.

    Also worauf es Goethe ankam, das ist, nichts hinzuzudenken an Hypothesen und Theorien zu den Erscheinungen, sondern ganz streng die Erscheinungen für sich selber sprechen zu lassen.
    Goethe brachte auf diesem Wege eine Farbenlehre zustande, die in einer wunderschönen Art in die künstlerische Auffassung des Farbigen führt.
    Denn das Kapitel über die sinnlich-sittliche Wirkung der Farben, worin sich so viele auch für den Künstler bedeutungsvolle Andeutungen finden, gehört zu dem Schönsten der Goetheschen Farbenlehre.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Dank je voor deze waardevolle feedback en informatie, Matthijs. Stel ik zeker op prijs.

    Een nieuw deelonderwerp, aansluitend bij het thema van de hypothese en theorie, zal de komende dagen de menselijke misvatting zijn, het fenomeen van het zich vergissen, het (af)dwalen, het fenomeen van der menschlichen Irrtum, diep verankerd in de menselijke natuur, doet zich niet alleen voor door (1) de activiteit van een louter abstraherend verstand, maar (2) woelt ook in de menselijke fantasie (fabuleren), de verbeeldingskracht van een mens, zolang verstolen of onverbloemd egocentrisch en louter zelfgericht wensdenken diens voedingsbodem vormt. Dit wordt aangestipt en uitgediept in de spreuken 63 tot en met 81.

    De misvatting in expliciete vorm wordt geïntroduceerd in spreuk 60 tot en met 62.

    Goethe's specifieke wetenschapsmethoden met betrekking tot natuurwetenschappelijke onderwerpen komen op directe wijze in het bijzonder in hoofdstuk 4, getiteld 'Natuurwetenschap', aan de orde, met spreuken 351 tot en met 436.

    Tot maandspreuk januari 2015 heb ik spreuk 165 verkozen om Goethe's verhouding tot theorie en theorievorming duidelijk voor het voetlicht te brengen. Is vanaf 1 januari 2015 een maand lang in de rechterkolom ondergebracht.

    BeantwoordenVerwijderen

Overzicht van alle blogberichten op Sprüche in Prosa

2015

Spreuk 158 – Levende eenheid – 14 mei 2015

Spreuk 157 – Heuristiek – 12 mei 2015

Spreuk 156 – Illusoire inkapseling – 7 mei 2015

Spreuk 155 – Verstommen – 4 mei 2015

Spreuk 154 – Skelet en eeuwige rede – 2 mei 2015

Spreuk 153 – Geognosie en verbeeldingskracht - 30 april 2015

Spreuk 152 – Creatief omwerken – 28 april 2015

Spreuk 151 – Onderscheiden van rede en verstand – 25 april 2015

Spreuk 150 – Algemene oorzaken – 18 april 2015

Spreuk 149 – Eenvoud – 16 april 2015

Spreuk 148 – Ondeelbaar fenomeen – 15 april 2015

Spreuk 147 – Geschiedkundige methode – 13 april 2015

Spreuk 146 – Mechaniseren – 12 april 2015

Spreuk 145 – Tezamen gedacht – 11 april 2015

Spreuk 144 – Symptoom en kwaal – 9 april 2015

Spreuk 143 – Werking en oorzaak – 8 april 2015

Spreuk 142 – Nadelen bij vragen over oorzakelijkheid – 6 april 2015

Spreuk 141 – Causaliteitsdenken – 5 april 2015

Spreuk 140 - Nabijgelegen fenomenen en hardleersheid – 4 april 2015

Spreuk 139 – Fenomenen gewaarworden – 3 april 2015

Spreuk 138 – Mensheidsformaat of kleingeestigheid – 2 april 2015

Spreuk 137 – Oerfenomenen en angst – 31 maart 2015

Spreuk 136 – Karakteristieke oerfenomenen – 30 maart 2015

Spreuk 135 – Kernvraagstukken – 29 maart 2015

Spreuk 134 – Oorspronkelijke condities – 28 maart 2015

Spreuk 133 – Voortgang onderzoek – 23 maart 2015

Spreuk 132 – Elementaire ervaringen – 22 maart 2015

Spreuk 131 – Beroep doen op metafysica – 21 maart 2015

Spreuk 130 – Metafysica van de verschijnselen – 20 maart 2015

Spreuk 129 – Bestaan – 19 maart 2015

Spreuk 128 – Betrekkelijk en toch absoluut – 18 maart 2015

Spreuk 127 – De natuur en het bijzondere en het algemene – 17 maart 2015

Spreuk 126 – Ware symboliek – 16 maart 2015

Spreuk 125 – Bijzonder algemeen – 15 maart 2015

Spreuk 124 – Geldige algemeenheid – 14 maart 2015

Spreuk 123 – Trefzeker – 13 maart 2015

Spreuk 122 – Operationeel waarheidsgevoel – 12 maart 2015

Spreuk 121 – Waarde van fenomenen – 11 maart 215

Spreuk 120 – Experiment – 10 maart 2015

Spreuk 119 – Uitvindingen en ontdekkingen – 9 maart 2015

Spreuk 118 – Principe van de kleurschakering – 8 maart 2015

Spreuk 117 – Werkende beginselen – 25 februari 2015

Spreuk 116 – Deelverklaring – 24 februari 2015

Spreuk 115 – Van weten naar wetenschap – 23 februari 2015

Spreuk 114 – Groeiende twijfel – 22 februari 2015

Spreuk 113 – Waarachtig en leugenachtig – 21 februari 2015

Spreuk 112 – Wetenschappelijke zekerheid – 20 februari 2015

Spreuk 111 – Spinozisme versus machiavellisme – 19 februari 2015

Spreuk 110 – Enthousiast overdenken – 18 februari 2015

Spreuk 109 – Consequenties – 17 februari 2015

Spreuk 108 – Praktijk en mensenverstand – 16 februari 2015

Spreuk 107 – Filosofie en mensenverstand – 15 februari 2015

Spreuk 106 – Kritiek van het mensenverstand – 14 februari 2015

Spreuk 105 – Algemeen verstand – 13 februari 2015

Spreuk 104 – Genius – 12 februari 2015

Spreuk 103 – Markant – 11 februari 2015

Spreuk 102 – Onderscheid en verstand – 10 februari 2015

Spreuk 101 – Uit elkaar houden en invoegen – 9 februari 2015

Spreuk 100 – Poëzie van het genie – 8 februari 2015

Spreuk 99 – Uiterlijk en innerlijk – 7 februari 2015

Spreuk 98 – Gewoon bekijken en zuiver aanschouwen – 6 februari 2015

Spreuk 97 – Zuiver opvatten en recht doen – 5 februari 2015

Spreuk 96 – Vruchtbare beschouwingswijze – 4 februari 2015

Spreuk 95 – Geen mythologie en legenden in de wetenschap – 3 februari 2015

Spreuk 94 – Twee klippen – 2 februari 2015

Spreuk 93 – Niet op slot gooien – 1 februari 2015

Spreuk 92 – Analogie met goed gezelschap – 31 januari 2015

Spreuk 91 – Inductie – 30 januari 2015

Spreuk 90 – Voortschrijden – 29 januari 2015

Spreuk 89 – Axioma enthymeem – 28 januari 2015

Spreuk 88 – Ongeluk – 27 januari 2015

Spreuk 87 – Herleiden en relateren – 26 januari 2015

Spreuk 86 – Eenvoud – 25 januari 2015

Spreuk 85 – Strategie – 24 januari 2015

Spreuk 84 – Probleem onderkennen – 23 januari 2015

Spreuk 83 – Miniaturen – 22 januari 2015

Spreuk 82 – Leemten – 21 januari 2015

Spreuk 81 – Afstemmen – 20 januari 2015

Spreuk 80 – Zekere koers met open blik – 19 januari 2015

Spreuk 79 – Bekopen en losraken – 18 januari 2015

Spreuk 78 – Feedback – 17 januari 2015

Spreuk 77 – Diepgang – 16 januari 2015

Spreuk 76 – Gelijke bron – 15 januari 2015

Spreuk 75 – Speelruimte voor vergissingen – 14 januari 2015

Spreuk 74 – Onwillig mopperen – 13 januari 2015

Spreuk 73 – Direct benutten – 12 januari 2015

Spreuk 72 – Voortreffelijkheid – 11 januari 2015

Spreuk 71 – Ware wijsheid – 10 januari 2015

Spreuk 70 – Wakker ontwaken – 9 januari 2015

Spreuk 69 – Achterhalen – 8 januari 2015

Spreuk 68 – Bestendigen – 7 januari 2015

Spreuk 67 – Aanmatiging matigen – 6 januari 2015

Spreuk 66 – Geholpen worden of verward raken – 5 januari 2015

Spreuk 65 – Binnensluipen en afweren – 4 januari 2015

Spreuk 64 – Onjuiste voorstelling van zaken – 3 januari 2015

Spreuk 63 – Vasthouden of loslaten – 2 januari 2015

Spreuk 62 – Goede voornemens – 1 januari 2015

2014

Spreuk 61 – Geen idee – 31 december 2014

Spreuk 60 - Realiteitszin, aannamen en hersenschimmen – 30 december 2014

Spreuk 59 – Guitig opgestelde hypothesen – 29 december 2014

Spreuk 58 – Rijzende problemen – 28 december 2014

Spreuk 57 – Hypothesen als loopplanken – 27 december 2014

Spreuk 56 – Wirwar – 26 december 2014

Spreuk 55 - Vitterige waarnemers en grillige theoretici – 25 december 2014

Spreuk 54 – Abstraheren en concretiseren – 24 december 2014

Spreuk 53 – Nut van theorieën – 23 december 2014

Spreuk 52 – Nietszeggende gemiddelden – 22 december 2014

Spreuk 51 – Zuivere ervaring – 21 december 2014

Spreuk 50 – Productieve kracht laten gelden – 20 december 2014

Spreuk 49 – Onverloochenbaar – 19 december 2014

Spreuk 48 – Eigenheid – 18 december 2014

Spreuk 47 – Januskop – 17 december 2014

Spreuk 46 – Dialectiek – 16 december 2014

Spreuk 45 – Terminologie in verhouding tot fenomenen – 15 december 2014

Spreuk 44 – In het oog vatten en doordenken – 14 december 2014

Spreuk 43 – Taalworstelingen – 13 december 2014

Spreuk 42 – Bemoeienis – 12 december 2014

Spreuk 41 – Zelfeducatie en ondersteuning – 11 december 2014

Spreuk 40 – Transparantie – 10 december 2014

Spreuk 39 – Maximes helder bezien – 9 december 2014

Spreuk 38 – Omstreden raken – 8 december 2014

Spreuk 37 – Zwart op wit – 7 december 2014

Spreuk 36 - Gehoorbereik – 6 december 2014

Spreuk 35 – Onbegrip 5 december 2014

Spreuk 34 – Vermeend weerleggen – 4 december 2014

Spreuk 33 – Gezindheden – 3 december 2014

Spreuk 32 – Leer van Newton – 2 december 2014

Spreuk 31 – Onenigheid en problemen – 1 december 2014

Spreuk 30 – Gekante meningen – 30 november 2014

Spreuk 29 – Probleemstelling en twistappels – 29 november 2014

Spreuk 28 – Stokken en stilstaan – 28 november 2014

Spreuk 27 – Verstaanbaarheid – 27 november 2014

Spreuk 26 – Inlevingsvermogen – 26 november 2014

Spreuk 25 – Glad ijs – 25 november 2014

Spreuk 24 – Vrije val en botsing – 24 november 2014

Spreuk 23 – Antropomorfisme inherent aan menselijke natuur – 23 november 2014

Spreuk 22 – Wie of wat spreekt zich uit? – 22 november 2014

Spreuk 21 – Gelijke onderkent gelijke – 21 november 2014

Spreuk 20 – Uitgangspunt bij menselijke waarheden – 20 november 2014

Spreuk 19 – Menselijke voorstellingswijze en menselijke waarheid – 19 november 2014

Spreuk 18 – Ja en nee uit de mond van de natuur – 18 november 2014

Spreuk 17 – Verstand en hulpmiddelen – 17 november 2014

Spreuk 16 – Vrije focus – 16 november 2014

Spreuk 15 – Het onbeschrijfbare beschrijven – 15 november 2014

Spreuk 14 – Berekening en experiment – 14 november 2014

Spreuk 13 – Mens en moderne fysica – 13 november 2014

Spreuk 12 – Tolk van het verstand – 12 november 2014

Spreuk 11 – Zintuiglijke ervaringen en geestelijke vermogens – 11 november 2014

Spreuk 10 – Perspectivische wetten – 10 november 2014

Spreuk 9 – Blikrichting en corresponderende hoek – 9 november 2014

Spreuk 8 – Verschilzicht en positieverandering – 8 november 2014

Spreuk 7 – Gezichtsvermogen – 7 november 2014

Spreuk 6 – Vergelijken – 6 november 2014

Spreuk 5 – Aan- en indachtigheid – 5 november 2014

Spreuk 4 – Bedrieglijk oordeel – 4 november 2014

Spreuk 3 – Betrouwbare zintuigen – 3 november 2014

Spreuk 2 – Menselijke wijsheid – 2 november 2014

Spreuk 1 - Kenverhoudingen - 1 november 2014

Inleiding en verantwoording van Rudolf Steiner – 1 november 2014

Introductie en verantwoording – 1 november 2014